Jaren:

 

1867 - 1899

 

1900 - 1909

 

1910 - 1919

 

1920 - 1929

 

1930 - 1939

 

1940 - 1949

 

1950 - 1959

 

1960 - 1969

 

1970 - 1979

 

1980 - 1989

 

1990 - 1999

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

Provinciale Drentsche en Asser Courant

5 maart 1867

KERK- en SCHOOLNIEUWS.

 

De pastorie bij de R. Catholieke kerk te Erica in 't Barger veen is gereed en aan den bouw der kerk zelve wordt ijverig gewerkt. Inmiddels wordt er dienst gedaan in eene hulpkerk, ook van eene klok voorzien. In den omtrek telt men ongeveer 38 woningen met huisgezinnen.
 


Provinciale Drentsche en Asser courant
19 maart 1867


Op Dinsdag den 16 April 1867, voormiddags 11 uur zullen te Emmen, ten huize van de Wed. De Vroome, publiek worden verkocht: 33 Huisplaatsen
ieder groot ongeveer bunder, gelegen te Erica, in de gemeente Emmen, tegenover de nieuwe R-C. Kerk aldaar. De perceelen, gelijk ze zullen worden verkocht, zijn op het terrein aangewezen en op een kaartje, dat bij den tapper Plas te Erica ter inzage ligt. Notaris Mr. S.J. Oosting
 


Provinciale Drentsche en Asser courant

25 januari 1868
Regtszaken
Kantongerecht te Assen

 

22 Jan. J.G.T. te Erica, gem.Emmen, wegens beleediging met woorden van een bedienend beambte in de waarneming zijner bediening, veroordeeld tot betaling eener geldboete van f 8 en bij wanbetaling, tot 1 dag gevangenisstraf
 


Nieuwe Rotterdamsche courant

30 juli 1868

Uit Coevorden wordt van 27 Julij geschreven:

 

De veenbrand te Nieuw Amsterdam en Erica neemt hier hoe langer hoe meer in hevigheid toe; het vuur heeft zich over een omtrek van ruim een uur verspreid en tast reeds hier en daar verscheidene boekweitakkers aan; een honderdtal boeren is dag en nacht in de weer, om door het graven van diepe greppels het vernielende element in zijn loop te stuiten. Zoo lang er echter geen regen komt, zijn bij den sterken wind alle pogingen zoo goed als vruchteloos. Vele arbeiders hebben hunne woningen verlaten en liggen met hunne have op den zanddijk, bevreesd als zij zijn, dat het vuur hen plotseling mogt overvallen. Ook aan de verlengde Lutterhoofdwijk in het zoogenaamde Scheerse Veld neemt de brand in hevigheid toe; daar heeft het vuur reeds den in hoopen staanden droge turf aangetast.

 


Leeuwarder courant
6 april 1869
VEENEN EMMEN


Vrijdag den 23 April 1869, des voormiddags te 11 uur, zullen, in het Gemeentehuis te Emmen
Publiek bij palmslag worden verkocht:
625 bunder veen en ondergrond, afgedeeld in veenplaatsen en gelegen in de Markte van Noord- en Zuidbarge, gemeente Emmen, aan en nabij het kanaal der Drentsche Kanaal-Maatschappij (Hoogeveensche Vaart), het Oranjekanaal, te Erica bij Nieuw-Dordrecht, bij het Amsterdamsche veld, bij het Zwarte Water, de Runde en in het Compascuum, vele ter bewoning zeer geschikt, en zulks ten verzoeke van Jan Bruins Slot Wz. En consorten, inzate gebragt als volgt:
(Hier wordt per perceel de grootte en vraagprijs gegeven)
De perceelen deelen naar het bundertal in t genot der gronden, gereserveerd voor het veenschap, om daaruit de kosten van hoofddraaijen, aanleg van wwegen en die tot bevordering der kanalisatie te bestrijden, bedragende alleen voor het Oosterveen ruim 550 bunder. De betaling in vier Novemberdagen. Uitkeering van hooggelden ook bij inhouding. Inlichtingen te bekomen bij Mr, H.J. Carsten te Hoogeveen, Jhr. Mr. A.W. van Holthe tot Echten te Assen en bij den Ondergeteekende Mr. S.J. Oosting, Notaris te Emmen
 


Provinciale Drentsche en Asser courant
19 juli 1869
Regtszaken
Kantongerecht te Assen


16 Julij. Veroordeeld: J.B. te Erica (Emmen), wegens het op een weg aan zich zelven overlaten van een paard, gespannen voor een voertuig, tot f3 boete en subs. gev. van 1 dag, --H.H. te Erica, wegens het niet gehoorzaamen aan het bevel van HH. Ged.Staten, tot het vastleggen der honden, f2 boete en subs.gev.van 1 dag, --G.P. te Erica, wegens het laten loopen van vee op eens anders in den oogst staanden grond, f3 boete en subs.gev. van 1 dag.
 


Het nieuws van de dag
10 augustus 1870


Te Assen heeft zich zekere H. Boer van Erica, beschuldigd van brandstichting, in de gevangenis van het leven beroofd.
 


Het nieuws van de dag
19 februari 1873


Men schrijft uit Emmen aan de Winschoter Ct. dd. 14 Februri: Naar men alhier met zekerheid verneemt, is door de Jezueten van den Heer Gratama te Assen gekocht een groote uitgestrektheid veen, liggende in de zoogenaamde Emmerveenen. Dit veen, voor eenige jaren door genoemden heer aangekocht voor 30.000), is thans gekomen op f100.000, een bewijs, dat door de kanalisatie van Drenthe de gronden, en vooral de venen, aanmerkelijk in prijs zijn gestegen. Bij nog andere eigenaren van gronden in genoemd veen moeten pogingen zijn aangewend om hen tot het verkoopen daarvan over te halen, doch niet bij allen moet het gelukt wezen. 't Plan bestaat, naar men zegt, genoemde veenen op groote schaal te ontginnen, in de veenkolonin dezer gemeente een tweede Katholieke kerk te bouwen (en staat er reeds te Erica) en zoodoende een toegangsoord te vormen voor de R.-K., die zich door de nieuwe Pruisische wetten bezwaard gevoelen.
 


Algemeen Handelsblad
23 juli 1875
Rechtszaken.


Te Assen is het lijk aangebracht van zekeren J. Feijen uit Erica, nabij Nieuw-Amsterdam, gemeente Emmen, die aldaar des ochtends op den weg dood is gevonden, des nachts was hij door den smidsbaas Bente aldaar, achtervolgd, omdat hij vermoedelijk ruiten heeft ingeworpen. Bente ontkent echter hem doodelyk te hebben getroffen of hem verwond te hebbon.
(Jan Vijer geboren 13 november 1851 te Wijhe, overleden 19 juli 1875 te Erica, zoon van Roelof Vijer en Zwaantje Koops)
 


Algemeen Handelsblad
24 juli 1875
Rechtszaken.


Omtrent den doodslag, die in de gemeente Emmen zondag is gepleegd , wordt nader gemeld: Niet ver van Erica woont de smid Pieter Beute, een oppassend en geacht man. Men had in het voorjaar eerder eenmaal de glazen bij hem ingeslagen en nu hoorde hij van ter zijde, dat dit in den nacht van Zaterdag op Zondag of in dien van Zondag op Maandag weder zou plaats hebben. Zaterdagnacht gebeurde er niets. Zondagnacht hoorde hij, dat er personen om zijn huis liepen, ijlings staat hij op en ziet door het raam dat zich twee personen bij het huis bevinden, die zich echter, zonder iets te verrichten, weder verwijderen. Weldra echter komen zij terug met een derde en het duurt niet lang, of een van hen neemt een steen op en werpt dien door het raam,_ zoodat hij bij de vrouw van Beute op het bed komt. Beute vliegt daarop naar buiten en, daar de drie personen de vlucht nemen, zet hij dengene na, die hij meent, dat den steen geworpen heeft; deze komt te struikelen en Beute werpt zich op hem. Beute verklaart nu, dat hij hem niets gedaan, althans niet verwond heeft, maar, na in hem zekeren Jan Feijen, oud 23 jaren, wonende te Erica', herkend te hebben, hem gezegd heeft, dat hij de zaak aan den rijksveldwachter zou aangeven. Hoe dit zij, Feijen is den volgenden morgen dood op den weg gevonden, met eene belangrijke wonde aan de pols, die waarschijnlijk zijn dood door verbloeding veroorzaakt heeft. Er schijnen redenen genoeg gevonden te zijn om Beute in hechtenis te stellen.
 


Het nieuws
27 juli 1875


Ten aanzien van den doodslag te Erica, gemeente Emmen, verneemt de Asser Ct. Nader, dat de verslagene niet dood is gevonden, dat hij, na geslagen en verwond te zijn, nog over een distantie van 15 20 minuten heeft geloopen, blijkbaar aan de sporen van bloed; dat hij toen is neergevallen en smorgens is gevonden, nog levende; dat hij aan degenen, die hem vonden, heeft verklaard, dat Beute hem had geslagen en verwond en hij de steen niet door het raam had geworpen. Spoedig daarna is hij overleden. Bij de lijkschouwing zijn op het lijk gevonden drie wonden op het hoofd, waarvan twee tot in het been waren doorgedrongen, eene wonde aan den rechter voorarm, op de hoogte van de pols, waardoor de ader is doorgesneden, terwijl het been half doorgeslagen en gebroken is, en een steek in den rug tot aan de ribben toe. Waarschijnlijk zijn de wonden toegebracht door een bijl, hakmes, sabel of dergelijk werktuig. De verslagene heet Jan Feijer.
 


Algemeen Handelsblad
27 juli 1875


Nog niet lang geleden werd door een der bladen uit de nieuwe veenkolonie Nieuw-Amsterdam, onder Emmen, bericht, dat aldaar onder een afgegraven veenlaag voorwerpen gevonden waren, die vermoeden deden, dat men met overblijfsels van zoogenaamde paalwoningen te doen had. 't Waren, schreef men, eenige kenbaar door menschenhand bewerkte eiken palen in zeker regelmatig verband in rijen in den grond geslagen. Een nader onderzoek heeft er toe geleid, dat dat men thans oordeelt de gedane vondst niet zoo hoog te moeten aanslaan met betrekking tot de historie van de bewoners dezer landstreek voor de veenvorming, als aanvankelijk gedaan werd. Wat er uw correspondent van wordt meegedeeld door iemand, die in persoon het gevondene in oogenschouw nam, komt hierop neer: Bij Erica, een uitsluitend door de R. K. Duitschers uit het naburige Hanover nieuw aangelegde volkplanting aan en om de verlengde Hoogeveensche vaart, zijn palen gevonden, voor zoover ze ontbloot en zichtbaar waren, 17 in getal, pl.m. 1.5M. lang. Zij staan evenwel niet in de zandlaag of den afgegraven ondergrond, maar in het veen, en wel in die laag, die nog ongeveer 0. 5 M. boven den zandbodem ligt. Toen de werklieden een meter veen van boven afgegraven hadden, werden de koppen der palen, alle van eikenhout en blijkbaar door middel van een zwaar voorwerp er ingeslagen , zichtbaar. Vanonder zijn ze aangepunt. Zichzagsgewijze geplaatst, schijnen ze een soort van overbrugging gevormd te hebben, om van den eenen zandheuvel tot den anderen te komen. Overigens bezitten ze echter te weinig draagkracht om te gelooven, dat er zware voorwerpen op gerust zullen hebben. Er bestaat dus geen grond tot het vermoeden, dat het de fundamenten geweest zijn van hutten of huizen, waarin de vroegere bewoners dezer landstreek hun verblijf hielden, voordat aldaar de uitgestrekte en thans tot ontginning komende venen ontstaan zijn. Met zekerheid te zeggen, waartoe die palen daar ter plaatse zijn ingeslagen, gaat niet aan. Het is in zijn soort een mysterie. Was een thans vervallen aarden schansje, in de nabijheid gelegen en voorheen tot de verdedigingslijn van Koevorden behoorende, niet van veel jonger datum, men zou de vraag kunnen opperen of ze misschien ook daarmee in eenig verband konden staan.
 


Algemeen Handelsblad
6 augustus 1875


Te Nieuw Dordrecht, Erica, Daaldenveen en Nieuw Schoonebeek is al de boekweit afgevroren, te Nieuw Amsterdam voor een derde.
 


De Tijd
24 september 1875


Zandberg 24 Sept. Al wie zich eergisteren op de venen rondom Erica bevond, kon van verre reeds gewaarworden, dat men daar feestvierde. Dit verkondigde over Drente's ruime velden de nederlandsche vlag, die van den torenspits wapperde. Immers het was voor de parochianen van Erica de dag, waarop hun zorgdragende herder, de Zeer-eerw. heer L. H, Vroom, die zooveel voor het geestelijk welzijn en den vooruitgang der gemeente Erica deed, zijn vijf-en-twintig jarig priesterschap vierde. Verscheidene Eerw. geestelijken, waaronder de Zeereerw. deken van Zwolle en de secretaris van het aartsbisdom, waren van verre gekomen, om door hunne tegenwoordigheid een blijk van waardeering te geven van het vele goede en schoone, door den jubilaris in zijne arme gemeente een betrekkelijk nieuw aangelegde kolonie gesticht. Onder de plechtige H. Mis werden dan ook vele en hartelijke gebeden voor den waardigen herder door de dankbare parochianen ten hemel opgezonden. Des avonds kwamen de gemeentenaren, in ordelijken optocht, door den met eerebogen versierden tuin, hun herder in passende woorden bedanken voor al het goede, wat zij van hem zoo ruimschoots hadden ontvangen. De tuin was verlicht met venetiaansche lampions en er werden van tijd tot tijd vuurwerken ontstoken iets, wat in Erica en in 't algemeen in onze veenstreken nog nooit was gezien. Onafgebroken stegen de jubelkreten ten hemel, en het: .Lang leve de Jubilaris!" was de eenparige wensch van alle aanwezigen. [Dit bericht, ofschoon terstond ontvangen, is door vergissing een paar dagen op ons Bureau blijven liggen.]
 


Amersfoortsche Courant
12 december 1876


Te Coevorden heeft een man uit Erica, de aardigheid gehad een rijksdaalder van bordpapier, keurig bewerkt en verzilverd, aan een van de ingezetenen voor echte munt te presenteren. Dewijl echter de politie oordeelde, dat bedoelde rijksdaalder wel wat ligt was voor 't geld en ook het vereischte gehalte aan specie niet bezat, besloot ze maar, doodeenvoudig, achter slot en grendel den man de verdere verspreiding van Ericasche munt onmogelijk te maken. Zijn lotgenoot, een Duitscher naar men zegt, was sedert eenige weken als kostganger opgenomen in het logement van den heer C.D. Toen nu eindelijk genoemde logementhouder zijn honorarium voor moeite en onkosten van den man kwam vragen, werd hem dit eenvoudig geweigerd, omdat de beurs zoo goed als ledig was. Dit is zeker een onomstotelijk bewijs van onvermogen en tevens de goedkoopste manier om in den kost te gaan; in zoverre heeft de man gelijk. Maar de politie achtte het toch verstandiger, teneinde verdere ruzie te voorkomen, hem zonder veel morgenpraatjes in bewaring te nemen en vervolgens zoo spoedig mogelijk over de grenzen den weg naar de ''Heimath"aan te wijzen.
 


Het nieuws van de dag
1 augustus 1879


De eerste nieuwe turf te Erica is afgeleverd door den vervener A.Mazema, aan schipper A.Hutten.
 


Leeuwarder courant
7 maart 1881
REGTZAKEN.


In de donderdag jl. gehouden buitengewone correctionele zitting van het hof alhier, gepresideerd door den heer mr. W. Terpstra, werd vernietigd het vonnis der regtbank te Assen, waarbij F. H., 29 jaren, geboren te Haulerwijk, wonende te Erica, arbeider, ter zake van misbruik van vertrouwen (het verkoopen van turf, welke hij voor zijn meester naar Hoogeveen moest brengen), is veroordeeld tot 6 maanden en 3 dagen celstraf en 25 boete, omdat in dat vonnis onder de bewijsmiddelen voorkomt eene gissing van een der getuigen. Op nieuw regtdoende verklaarde het hof bekl. schuldig aan hetzelfde feit en veroordeelde hem tot 3 maanden celstraf en 12.50 boete.
 


Algemeen Handelsblad
22 augustus 1881
Posterijen


De minister van waterstaat, handel en nijverheid brengt, ingevolge het bepaalde bij art. 5 der wet van 25 Mei 1880 ter algemeene kennis, dat de hulpkantoren der posterijen te Erica, Haaren en Weidum, met ingang van 1 Sept. a.s., voor den dienst der rijks-postspaarbank zullen worden opengesteld.
 


Leeuwarder courant
19 september 1881
Rechtzaken.


Daarna stond teregt H.S., 36 jaren, ontslagen brievengaarder , wonende te Erica, thans in hechtenis. Deze besch. had: 1. verduisterd: a. op 8 Mei l.l. twee brieven, hem ter aanteekening overhandigd door R. Brinker, geadresseerd aan D. Hegener te Amsterdam en I. Kranenburg te Groningen, inhoudende de eerste 2 bankbilletten van 25, de tweede 1 dito; b. op 2 Junij een brief, door jhr. van Panhuijs te Groningen verzonden aan R. Wever te Erica, inhoudende een bankbillet van f 25; 2. aan hunne bestemming onttrokken: a. in Mei 1881 0.70, hem door C. van Os voor G. J. Gelderman te Dedemsvaart en f 2 hem door W. Olijve voor M. J. Olijve te Amsterdam ; b. op 31 Mei l.l. 5 hem door den pastoor J. H. Geerdes voor J. P. J. ter Stege te Coevorden ter verzending per postwissel ter hand gesteld. De adv.-gen., mr. B. W. N. Servatius, requireerde dat besch. zal worden schuldig verklaard aan: 1. drie misdaden van het als ambtenaar verduisteren van bescheiden , hem ter zake van zijnen post overgegeven, en 2. drie misdaden van het als openbaar bewaarhouder aan hunne bestemming onttrekken van aan bijzondere personen toebehoorende penningen, die uit hoofde van zijn post in zijne handen waren en het geheel bedrag uitmaken der in bewaring gegeven gelden en dat besch., onder aanneming van verzachtende omstandigheden , zal veroordeeld worden tot 1 jaar en 6 maanden celstraf, benevens 3 geldboeten, eene van 0.17, eene van 0.50 en eene van 1. De verdediger, mr. J. v. Leeuwen, wees op nog meer verzachtende omstandigheden, om aan te toonen, dat de geischte straf in dezen te zwaar is. Uitspraak over 8 dagen.
 


De tijd
26 september 1881
Rechtzaken.


Het gerechtshof te Leeuwarden heeft arrest gewezen tegen H. S., oud 36 jaren ontslagen brievengaarder, geboren te Hijken, gem. Beilen, wonende te Erica, gem. Emmen, schuldig verklaard aan 3 misdaden : van het als ambtenaar verduisteren van bescheiden, welke hem ter zake van zijn post waren overgegeven, en van 2 misdaden van het als openbaar bewaarder onttrekken van penningen, aan bijzondere personen toebehoorende, die hem waren ter hand gesteld, en met toepassing van verzachtende omstandigheden veroordeeld tot 1 jaar cellulaire gevangenisstraf en 2 boeten, een van 0.15 en een van f 1, subs. 1 dag celstraf voor iedere boete.
 


Leeuwarder courant
19 november 1881


In deze zelfde zitting werd een hooger beroep behandeld, ingesteld door Joh. I., 33 jaren, schoenmakersknecht, laatst wonende te Erica, thans in hechtenis, van een vonnis der Regtbank te Assen, waarbij hij tot 8 maanden celstraf is veroordeeld wegens diefstal in een herberg, door iemand daarin opgenomen. Den 15 Aug. j.l. gebruikte bekl. in de herberg van J. Maijer te Veenoord (gem. Sleen), drie borreltjes, terwijl Maijer naar buiten moest omdat er een rijtuig aankwam. Nadat bekl. zijn laatste borreltje had gebruikt, verliet hij de herberg. Maijer naar binnengaande dacht dadelijk, dat die vreemde persoon hem wel eens kon bestolen hebben. Hij gaat naar de geldlade en vermist 1 rijksdaalder, waarop hij zijne vrouw, die in een vertrek achter de gelagkamer was, vroeg, of zij uit de geldlade een rijksdaalder genomen had. De vrouw antwoordde ontkennend. Nu kreeg men vermoeden op bekl., Maijer achtervolgde hem en bragt hem in de herberg terug, waar bekl. eerst ontkende, maar later bekende en 2 guldens, benevens 2 kwartjes teruggaf.
Besch. beweert, dat hij door vier man was omsingeld en gedwongen het maar te zeggen; toen had hij van zijn eigen geld het eindelijk gegeven, dat hij nog over had van het verkoopen van zijn jas.
Voorts bleek, dat bekl. meermalen was veroordeeld, eens wegens opligting en diefstal tot jaar celstraf, meermalen wegens bedelen, en dat hij reeds tweemalen in de Kolonie geweest was. Na het plegen van dit feit, is hij wegens bedelarij veroordeeld tot 6 maanden gevangenisstraf en opzending naar een bedelaarsgesticht.
-----Op 26 november uitspraak: Het Hof alhier heeft bevestigd het vonnis de Regtbank te Assen, ook wat verzwarende omstandigheid betreft, tegen Johs. I, schoenmakersknecht, laatst wonende te Erica, wegens het stelen van een rijksdaalder in een herberg.
 


De tijd
18 augustus 1883


Erica 15 Aug. Men ziet hier naast de hollandse ook de fransche vlag wapperen van een in aanbouw zijnde loods. Dit getimmerte zal o.a. dienstbaar gemaakt worden aan een tot nu toe onbekende industrie, nl. een lok fabrikage. De ondernemer er van, een Franschman, schijnt uit het lok iets te kunnen maken; hier wordt overvloedig lokhoudend veen aangetroffen. Welnu, t ware wellicht een aanwinst zoo de proef gelukte.
 


De tijd
14 september 1883


Erica, 12 Sept. Dezer dagen werd de eerste hoeveelheid toebereide lok naar Parijs verzonden. Die bereiding kost heel wat werk. Eerst wordt door mannen en vrouwen op de plaats van 't lokhoudend veen dat veen uitgezocht, daarna in daarvoor ingerichte bakken gewasschen, vervolgens door een persinrichting van het meeste vocht ontdaan, dan in droogschuren op linnen gedroogd en in een aparte schuur gedorscht en eindelijk naar de bergplaats gebracht, om opgestapeld en in pakken van een bepaald gewicht verzonden te worden. Die verzending geschiedt onder etiquette, waarop voorkomen de kleuren van onze vlag en een omkranst monogram van de door de fransche Republiek gebreveteerde ondernemers Crognet & Allagnon. Het lok zal onder den naam laine vgtale (plantenwol) in den handel gebracht worden.
 


De standaard
28 april 1885


Naar de gevangenis te Assen is door de rijkspolitie overgebracht zekere Nieman uit Erica, gemeente Emmen, die poging tot moord heeft aangewend op J. Mensing aldaar. N's. boerenplaatsje was door een hypotheekhouder verkocht; kooper was geworden genoemde J. M. Nu wilde de laatste gisteren de daarop staande keten afbreken en had zich daartoe op het dak begeven. Inmiddels was N. beneden in de keet gekomen vanwaar hij een revolverschot lostte op M. Het schot schijnt te zijn afgeschampt. Toen was N. naar buiten gegaan mikte weder op M, maar deze had de tegenwoordigheid van geest zich aan den anderen kant van 't dak te laten vallen, waardoor hij den dans, in casu het schot, ontsprong. Spoedig daarna werd N. gevangen genomen.
 


De tijd
15 juni 1885
Rechtzaken.


Naar men verneemt, is bij arrest van het gerechtshof te Leeuwarden van 9 Juni j.l. de beklaagde H.G. N., oud 29 jaren, arbeider, wonende te Erica, gemeente Emmen, verwezen naar de arrondissements-rechtbank te Winschoten, ter zake dat hij op 24 April j.l. te Erica moedwillig uit een met hagelpatronen geladen revolver een schot heeft gelost op Jan Mensingh en dezen daardoor heeft getroffen en verwond, met last dat hij in hechtenis zal worden gehouden. Bij dat arrest is wijders verklaard dat er geen termen tot terechtstelling van den beklaagde aanwezig zijn ter zake van vooraf beraamd opzet om genoemden persoon te dooden.
De adv.-gen., mr. G. A. Visscher, requireert bevestiging van het vonnis, voor zooveel het ten laste gelegde feit en beklaagdes schuld daaraan bewezen is verklaard, doch vernietiging voor zooveel de beklaagde is vrijgesproken van de verzwarende omstandigheid van vroegere veroordeeling tot een half jaar celstraf, Uitspraak over 8 dagen.
 


Algemeen Handelsblad
1 november 1885
Rechtzaken.


Het lijk van den 9-jarigen knaap te Erica, die, naar het gerucht wil, zoude gestorven zijn aan vergif, hem uit wraakzucht tegen zijne ouders door eene getrouwde vrouw toegediend, is op last der justitie opgegraven. Gedeelten van het lijk zijn, met de opdracht om die scheikundig te onderzoeken, aan twee deskundigen toevertrouwd. De vrouw is, volgens de P.D.C., nog op vrije voeten.
 


De tijd
17 december 1885


Het scheikundig onderzoek door een paar deskundigen van een gedeelte van het lijk van een 9jarigen knaap te Erica, die, naar het gerucht wilde, zou gestorven zijn aan vergift, hem uit wraakzucht tegen zijn ouders door een getrouwde vrouw toegediend, heeft tot geen resultaat geleid. In geen der hun toevertrouwde deelen hebben zij vergift ontdekt.
 


Amersfoortse courant
11 juni 1887


Het branden van het boekweitveen te Erica, in Drente heeft een offer geist. Het driejarig dochtertje van J.S. aldaar, alleen gelaten, waagde zich te dicht bij het brandende veen, waarvan het gevolg was, dat het meisje in brand geraakte en onder vreeselijk lijden kort daarop is bezweken. (Roelfje Stoker geb.2 juli 1883 te Emmen, overleden 3 juni 1887 te Erica, d.v. Jacob Stoker en Marrigjen Hartgers.)
 


Amersfoortsche Courant
20 maart 1890


Men zal zich herinneren, dat indertijd twee vrouwen, moeder en dochter, woonachtig te Erica, op grond van meineed, werden veroordeeld, respectievelijk tot 18 en 12 maanden gevangenisstraf. De dochter keerde onlangs uit haar gevangenis terug, doch verkeerde, naar men zegt, in staat van halven waanzin, wijl haar oude moeder nog zes maanden achter slot en grendel moest zuchten. Thans ontving de bedroefde familie Braam de tijding, dat aan de vrouw (op verzoek) gratie is verleend.
 


Amersfoortsche Courant
23 maart 1893


Misschien is er geen gemeente in ons land waar de toestand van het onderwijs zoo treurig is als te Emmen. In 't dorp Emmen zijn 3 vacatures, te Nieuw-Amsterdam 4, te Nieuw-Dordrecht eveneens 4, te Erica 3 en te Emmen-Compascuum 2. Binnen korten tijd zijn daar niet meer dan 8 onderwijzers aanwezig, hoewel het bij de Wet bepaalde aantal 25 moest zijn. Bij dit alles komt nog, dat de gemeente zeer afgelegen is. En toch, ook in die gemeente moet het onderwijs een voorwerp zijn van de aanhoudende zorg der Regeering.
 


Leidsch Dagblad
23 november 1896


Gisteren brandde het huis, bewoond door den heer W.Hofhuis, te Erica (Dr), af; alleen de schuur bleef staan. De geheele inboedel verbrandde mede, uitgezonderd de levende have, die nog bijtijds uit de vlammen gered kon worden. Alles gebeurde tijdens de bewoner afwezig was. Huis en inboedel waren verzekerd.
 


Leidsch Dagblad
12 januari 1899


Zondag is te Erica (Dr) uit de Verlengde Hoogeveensche Vaart opgehaald het lijk van den 70 jarigen J.Keep. Vermoedelijk is de ongelukkige door de duisternis misleid te water geraakt.
(Emmen, overlijdensakte, 9 januari 1899, aktenr. 8 Overledene: Jan Keep, geboren te Vriezenveen op 17-03-1827; beroep: zonder; overleden te Erica (Emmen) op 08-01-1899; oud: 71 jaren en 9 maanden, zoon van Egbert Keep en Petronella Susanna Christina Kijmmel. Gehuwd geweest met Johanna Louisa Woudstra, overleden)
 


Leidsch Dagblad
20 mei 1899


Te Erica (Dr) werd sedert Woensdag 10 Mei de 23-jarige jongeling H.Kroezen, die op dien dag bij een twist een hoofdwonde had opgeloopen, vermist. Vrijdag werd zijn lijk uit een der wijken opgehaald. Waarschijnlijk is de ongelukkige door de duisternis misleid of op andere wijze te water geraakt, althans aan misdaad mag niet gedacht worden. K. stond als een oppassend jongeling bekend.
(Emmen, overlijdensakte, 13 mei 1899, aktenr. 109 Overledene: Harm Kroezen, geboren te Westerbork op 31-03-1876; beroep: arbeider; overleden te Erica (Emmen) op 12-05-1899; oud: 23 jaren en 1 maand, zoon van Hendrik Kroezen, beroep: arbeider, en Grietje Sleen, beroep: arbeidster)

 

Reactie's via het contact formulier.